Mattheüs 18

Schriftlezingen: Psalm 130

Mattheüs 18: 21-35

2 Korintiërs 2: 5-11

Thema: ‘Vergeven-vergevingsgezindheid’

Broeder en zuster in de Heer,

In de evangeliën kunt u dikwijls het woord ‘slaaf’ tegenkomen;

En onterecht denken wij dan dikwijls aan iemand die -dwangmatig en zwaar- ‘slavenarbeid’ verricht. Dat is niet helemaal juist.

Een slaaf is iemand die in, dienst staat, die arbeid of dienst verricht voor een koning of een heer. En dat kan evengoed een stalknecht zijn, of een keukenbediende, als iemand die binnen of buiten het paleis de belangen van de heer behartigt.

Bij het verhaal van de koning, die afrekening wilde houden met zijn slaven, moeten wij ons een beambte voorstellen die de geldzaken van zijn koning regelt, en die daarbij onoplettend was of sjoemelde, of slordig was (‘De koning controleert dat toch nooit’, zal hij gedacht hebben, of ‘mijn heer blijft uit…’) en daarbij, voorzeker zonder het zelf goed te beseffen, een schuldenberg van tienduizend talenten opgestapeld heeft, en dat wordt hem hier nu onder de neus gewreven. (10.000 talenten = 20 à 30 miljoen euro)

De beambte heft een onvoorstelbaar grote schuld. Van ‘terugbetalen kan en zal wel niet veel terecht komen, en dat weet hij. En dat weet ook de koning. Daarom wil die koning hem, en ook zijn vrouw en zijn kinderen laten verkopen. Op die manier zou de koning toch nog iets van zijn verloren geld recupereren.

De beambte maakt heel wat misbaar. Hij vraagt om uitstel van terugbetaling. Hij vraagt om geduld, hoewel dat absurd en zinloos is in het licht van de grootte van die schuld.

Als hij dat nu niet kan betalen, zal hij dat binnen zes weken ook niet kunnen.

Verdrietig, en machteloos, en schuldig, zo voelt hij zich. En de ogen van de koning kijken dwars door hem heen. En de koning blijkt plots akelig veel van hem te weten…

Maar dan krijgt de man wat hij helemaal niet had verwacht: volledige, algehele en absolute kwijtschelding. De heer van die slaaf kreeg medelijden met hem en liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt.

Mijn broeder en zuster, zo’n verhaal is er toch wel ‘ver over’, ‘ver doorgeduwd’, dacht ik…

Zo’n verhaal irriteert! Het verhaal is een verduidelijking op een vraag van Petrus: ‘Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?’

Rabbijnen leerden dat dezelfde zonde door God hoogstens driemaal vergeven werd. Maar Petrus toont zich bereid om in dat opzicht nog verder te gaan. Petrus, weetjewel, dat was de man die soms heel impulsief kon reageren. Dat was de man met een zeer op- en neergaande lijn in zijn gedachtenwereld.

Als Petrus met die vraag naar voor komt, dan mogen wij aannemen dat hij daar al een tijdje mee bezig is geweest.

En, gemeente, moeten wij niet zeggen: Simon Petrus, is hij niet met alles wat zo menselijk aan hem is, een man naar ons hart?

Petrus heeft er geen moeite mee om bijzondere ‘eigen’ maatstaven aan te leggen. En als Petrus dan spreekt over zevenmaal vergeven, dan noemt hij niet zomaar een willekeurig getal.

Petrus heeft daarover na gedacht.

Hij gebruikt een heilig, vol getal. Voor hem is het een ernstige zaak, een heilige zaak.

Petrus wil in het geval van vergeving van de broeder staan op heilige grond. Hij betrekt ook duidelijk de Here God er in…

Petrus wil vergeven. Zevenmaal.

Maar met zevenmaal is het toch wel gebeurd, dan heb je het toch wel gehad. De broedeer kan aan de gang blijven met zondigen, en jij, jij blijft bezig met vergeven…

Neen, op een gegeven ogenblik is daar een ‘grens’. En daar moet het ophouden. Of daar loopt het aan splinters…

Petrus wil die grens niet te vlug trekken. Petrus erkent de plicht tot vergeven.

En volgens hem komt er op een gegeven ogenblik een punt waarop je kunt of waarop je moet zeggen: ‘En nu is het genoeg’, ‘Tot hier en niet verder’, ‘Nu heb ik voldoende aan het gebod voldaan’, ‘Meer kan een mens, en ook niet God, de Here, van mij verwachten’.

Zevenmaal vergeven: als het moet, dan moet het, maar dan is het ook gebeurd.

Gemeente, wij kunnen Petrus wel volgen.

En wij zijn misschien ook wel bereid om vanuit het kennen van het evangelie, iets verder te gaan inzake ‘vergeven’ dan een ander.

Wellicht denken wij van onszelf dat wij niet direct aan die grens zijn, maar dat die grens er is, dat is zonneklaar. En dat moet die ander ook weten!

Er komt een ogenblik dat je zegt: ‘Vergeven, jazeker, maar ze moeten niet vergeten wie ze voor zich hebben. Ik kan toch niet voortdurend over me heen laten lopen!’ ‘Ik kan toch niet voortdurend misbruik laten maken van mijn goedheid, van mijn vergevingsgezindheid?’

Gemeente, hebt u het tussen de regels gehoord? Als ik zo bezig ben, ben ik helemaal niet bezig in vergevingsgezindheid!

Er zijn van die pittige Vlaamse gezegdes, zoals ‘Ik heb geduld en ik heb veel geduld, maar deze hier gaat toch niet wat te ver…’

… Ik ben niet bezig in vergevingsgezindheid…

Op zulke woorden reageert Jezus in de gelijkenis.

En Jezus predikt daar een geheim. Jezus predikt het Koninkrijk, en in de manier waarop Hij dat doet, gaat een geheim schuil.

Het geheim van ‘Hoe gaat het in het Koninkrijk, en wat zijn daar de liefdevol aangenomen principes?’ En dat Koninkrijk heeft raakpunten op aarde…

Dàt verkondigt Jezus hier, met betrekking tot ’vergeving’.

Jezus verkondigt: ‘Uw vergeving? Daar mag geen maat op staan! Uw vergeving? Dat mag grenzeloos zijn!’

Kijk naar het verhaal van de slaaf, de beambte, die voor de koning geleid wordt. De beambte vraagt uitstel. Een zinloze vraag. Hij weet zeer goed hoe hij in de fout is gegaan, en dat die fout uiterst zwaar is. Maar dat hij daarvoor zo plotseling voor de koning moet verschijnen, dat lijkt hem zo onverwacht.

Hij krijgt echter het meest onverwachte: hij krijgt volledige kwijtschelding.

En hij begrijpt het niet: vergeving, kwijtschelding, … hij kan er met zijn verstand niet bij…

En dat past toch maar weinig in het menselijk verstand. En dat van zo iemand die zo machtig is, van de koning. Dat is ongedachte, bovenmenselijke goedheid.

Het evangelie zegt dat wij allemaal, ieder voor zich, bij God in de schuld staan.

Een schuld die zich nooit laat uitdrukken in getallen.

Een onnoemelijk grote schuld, waaraan iedere dag nog bijgevoegd wordt, en die zich op geen wijze laat terugbetalen.

‘Als Gij, Here, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan?’

Al zou je daar je hele leven aan besteden, met sterven en al, dan nog is de schuld niet voldaan…

Een mens kan niet zichzelf en ook niet een ander, ervan af helpen…

En zo is de mens armelijk, en hulpeloos, en jammerlijk en naakt…

Daar moest God zelf aan te pas komen.

En dat heeft Hij gedaan in en door Jezus Christus.

Daar is kwijtschelding.

En daar is bevrijding.

In Jezus Christus predikt de here Zich een God van grenzeloze vergeving te zijn.

Op Golgotha bewerkte Hij onze verlossing.

Mensen tal gat nooit ver genoeg om dat karakter van onbetwistbaarheid en onbeperktheid en om da eeuwigheidskarakter van die verlossing te omschrijven.

Mensenverstand schiet op alle gebied te kort om die dingen ten volle te begrijpen.

Wij mogen door het geloof leven in het door Jezus Christus verworven nieuwe leven.

Gemeente, onze God is een God van vergeving. Grenzeloze vergeving! Zo gaat het eraan toe in het Koninkrijk van God.

‘Hoeveel maal vergeven’, vroeg Petrus. ‘Zevenmaal?’ Jezus zegt: ‘Het komt aan op grenzeloze vergeving.’

Maar de gelijkenis die Jezus vertelt, is nog niet afgehandeld. Wij kunnen ons voorstellen dat die beambte daar de dag van zijn leven heeft gehad. Ongelofelijk.

De beambte, nog onder de indruk van wat hij net bij de koning beleefde, komt het paleis uit e loopt een collega tegen het lijf.

Van deze moet hij nog 100 schellingen krijgen, dat is ongeveer 10, 15 euro.

En daar staan hij dan plots weer te midden in de harde wereld. Plotseling weer is het helemaal niet meer aan hem te zien dat hij daar net dat levensgrote cadeau, die kwijtschelding gekregen heeft. Die blijdschap om die kwijtschelding bij hem, die speelt nu niet meer mee…

‘Betaal wat gij schuldig zijt.’

Hoe dikwijls had hij die man niet gezegd dat hij nu toch eindelijk eens moest betalen? En nu heeft hij hem! ‘Betaal wat gij schuldig zijt.’

En het ontgaat de beambte dat zij collega daar precies dezelfde woorden gebruikt als dewelke hij daarnet zelf tegen de koning had gesproken. Hij kent geen pardon. Er moet betaald worden. Dan maar naar de gevangenis.

De beambte denkt al lang niet meer aan wat hij, door de goedheid van de koning, meemaakte, en waardoor hij nu zelf op vrije voeten loopt. Het is met hem zo erg dat hij niet eens merkt dat zijn collega nét hetzelfde vraagt als wat hij daarnet zélf aan de koning smeekte.

En wij denken bij onszelf ‘<wat een eenvoudig verhaal toch, natuurlijk had hij zijn collega kwijtschelding moeten geven…’

Maar, hoe zijn wij zelf in de praktijk van het leven? Broeder en zuster, laten wij dàt nu even aan de orde komen. En dan gaat het zeker niet alleen over de zondag. Het gaat over de praktijk van iedere dag in de week.

Vergeven: dat moet kunnen, en niet alleen omdat we in zondagsstemming zijn. De vraag is: ‘Hoe leven wij zelf vanuit de weldaad van Gods vergeving?’ Weet: getuigend leven = vergevingsgezind zijn.

De man had kwijtschelding moeten betonen, maar dat deed hij niet. En wat ligt er meer voor de hand? Dat u, en dat ik, en dat jij die het evangelie van Gods krachtige vergeving kent… ja… wat zou ik doen?

Schuld tegenover elkaar. Is dat niet klein als wij dat vergelijken met de schuld die wij, ieder van ons persoonlijk, tegenover God hebben?

Hoe gaan wij om met die schuld tegenover elkaar?

Hoe handelen wij als kind van God en hoe handelen wij als lid van de gemeente?

Als Jezus mij aanspreekt met die gelijkenis, word ik dan niet een klein of een groot beetje aangewezen met: ‘Lijkt u niet heel sterk op die man daar?’

Straks gaan wij het Onze Vader bidden.

‘… en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren…’. We hebben het al menig keer gebeden. Moet ik niet even nadenken over mijn ernst, als ik dat bid?

De vraag van Petrus is een bekende vraag. ‘Hoeveel maal vergen? Zevenmaal?’ Jezus zegt: ‘Ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal.’ En dat is geen nieuw rekensommetjes.

Daarmee zegt Jezus: ‘Het gat helemaal niet om ‘hoeveel maal’, het komt erop neer op vergeving zonder maat en zonder grens.

Het gaat om: vergeven van harte.

Het gat om: er niet meer willen aan denken.

En dat is zeker niet oppervlakkig, want als uw vergeven ‘van harte’ is, dan is daar niet het probleem van ‘de grens’.

En: ‘van harte’ vergeven, dat kan alleen vanuit een hart dat de vergeving kent van de eigen schuld, van de eigen schuld tegenover God.

Vergeven. Hoeveel maal? Zevenmaal? Jezus zegt: ‘Laat uw hart spreken’. Laat uw hart spreken dat iets van de vergeving van God ondervonden heeft.

Jezus laat duidelijk zien dat ‘vergeving ontvangen hebben’ vraagt om de daad van ‘vergeving schenken aan de ander’.

Weet u: in de Romeinenbrief staat: ‘Zijt niemand iets schuldig dan mekaar lief te hebben.’

Vergeving: is dat niet het eerste wat wij moeten proberen te hanteren als er problemen zijn?

Zo, broeder en zuster, zal blijken of er iets van de vergevende liefde van Christus in ons leeft.

Jezus zegt: ‘Wie Mij kent, wie oren heeft on te horen, en wie de vergeving van zijn schuld kent, die verstaat iets van het geheim van Gods grenzeloze vergeving. En die verstaat ook dat vergevingsgezindheid tegenover elkaar gedragen wordt door de vergeving van God tegenover jezelf.

Als iemand tegen mij onbillijk handelt, als iemand tegen mij ‘zondigt’, en ik krijg een gesprek met hem, en hij vraagt om vergeving, dan moet ik erover willen nadenken dat om Jezus’ wil van mij alle onzuiverheden, en alle verdorvenheid weggenomen werd en dat mijn eigen zondelast aan het kruis van Golgotha is gebleven.

Wie Jezus niet kent, en wie de drijfveer en de zending en de inzet van Jezus niet kent, zal het met deze gelijkenis moeilijk hebben. Deze zal ook moeilijk het geheim verstaan van het Koninkrijk dat Hij predikt.

Maar dan word je wél tot bekering opgeroepen. Dan word je door Jezus geprikkeld met: ’Jij bent die man uit die gelijkenis!’

En dat wordt u uit liefde in de oren gefluisterd, opdat u bij Jezus Christus zoudt uitkomen.

Hoeveel maal vergeven? Jezus zet: ‘Van harte, grenzeloos, want Ik ben uw draagkracht.’

Amen.