Lukas 13

Schriftlezingen: Psalm 62: 1-9

Lukas 13: 22-30

Hebreeën 12: 1-3

Thema: ‘Wie behouden worden’

Broeder en zuster in de Heer,

Allemaal zijn wij mensen met nood en tekortkomingen. Zonde, wanhoop, ziekte en onwetendheid vormen schering en inslag in ons leven.

In de dagen van Jezus was dat niet anders, en dat gevoel van ‘onmacht’ was nog aangesterkt vanwege de onderdrukking door de Romeinse bezetter.

Jezus wandelde daar tussendoor…

Jezus zag de soldatenpelotons voorbijmarcheren. Hij kende de godsdienstige ingesteldheid, en met name dan het Farizeeënstelsel, tot op de draad. Hij begaf zich tussen de armsten der armen, Hij kende de nood van Zijn volk.

Jezus had een aanpak, en een leer, en uitspraken die zo verschillend waren met deze van de Farizeeën of van andere volksoversten. Zijn leer was nieuw en achter zich trok Hij een spoor van liefde…

We herinneren ons dat Hij de mensen vergeleek met schapen die geen herder hadden… Hij sprak woorden van bemoediging en van verlossing. De aanwezigheid van de Romeinen, daar tilde Hij, vreemd genoeg, precies niet zo zwaar aan. Maar Hij kon we de vinger precies op de zere plek leggen: het zondige mensenhart… de échte nood van ieder mens…

Jezus predikte verlossing, openheid van hart, het Koninkrijk…

Daarbij ging Hij te werk als een zaaier, die uitging om te zaaien, soms hele scharen toesprekend (denkt aan de zaligsprekingen), soms heel individueel de mens benaderend (denkt aan het gesprek met Nikodemus, of aan het gesprek met de dame aan de waterput)

Liefde was Zijn drijfveer. Zijn wens was het om ‘ingang’ te vinden in het mensenhart. Zin verlangen was het, om samen met Zijn volgelingen te werken aan een wereld die anders de weg van liefdeloosheid en verstarring zou opgaan…

Daarnet hebben wij een stukje uit het Lukas-evangelie gelezen:

Jezus gaat van stad tot stad en van dorp tot dorp, en op een ogenblik heeft zich daar rondom Hem een groepje mensen gevormd: tien of twintig, of vijftig, dat doet er niet toe. Een groepje mensen dat wij misschien eens mogen zien als ‘een groepje schapen zonder herder’. Een groepje mensen dat wij misschien mogen zien als een verzameling van zwakheid en onmacht, wanhoop en misschien ook hoogmoed… en uit dàt groepje komt iemand met de vraag: ‘Here, zijn het weinigen die behouden worden?’

De man vraagt getallen en getalsverhoudingen en uit de vraag die hij stelt, blijkt dat hij nogal somber tegen die getalsverhoudingen aankijkt…

Het antwoord van de Rabbi was nogal verrassend… voor de hele groep… en wij zouden eventjes moeten nadenken of zoeken wat het verband is met de gestelde vraag…

‘Strijdt om in te gaan door de enge poort’

Een antwoord waarvan wij haast zouden zeggen dat het nog meer vragen erbij brengt dan dat het een mooi en sluitend en afrondend ‘antwoord’ zou kunnen zijn.

Broeder en zuster, het Bijbelstukje dat wij gehad hebben laat ons nadenken over:

-vragen stellen: Waarom stel ik die vraag?

-Jezus antwoord: Waarom zo? En wat is de inhoud?

-En wat is de ernst van dat antwoord?

Als eerste dus de man met zijn vraag: hij wordt niet bij naam genoemd, dus het kan iedereen zijn. Het kan ieder van ons zijn. ‘Here, zijn het weinigen die behouden worden?’

Een vraag gericht aan Diegene die bij uitstek gekomen is voor het ‘behoud’ van de mensen.

En wat was de aanleiding dat die vraag daar gesteld werd?

-Was dat een hartelijke, individuele en geheiligde belangstelling van de vraagsteller, omdat hij Jezus wilde volgen en omdat hij, weliswaar met schroom en angst, bekommerd was om het zielenheil van zijn medemensen?

Dat kan, maar we hebben onze twijfels…

-Of wilde hij zomaar eventjes effekes even ‘theologisch’ doen, een ‘theologisch balletje opwerpen’, en moeten wij die vraag als een strijdvraag of als een testvraag of als een uitdaging zien? En dit zonder zelf persoonlijk bij de vraag betrokken te zijn? Hoe doen wij het als wij vragen stellen?

-Misschien was het een vraag die leefde bij heel de groep die rond Jezus stond, en was hij tot ‘woordvoerder van de groep’ gepromoveerd? ‘…Zou jij Hem dat durven vragen?’

-En het kan natuurlijk ook dat de vraag spottend gesteld werd…

‘Vragen staat vrij’, zegt men. Natuurlijk…

Gemeente, laat ons nu even goed voorzichtig worden: als vragen zo ‘vrij’ is, dan is de antwoordgever ook ‘vrij’. Zo vrij, dat hij de vraag mag opvangen zoals hij, persoonlijk, dat wil.

En dat doet Jezus hier nu… vanuit Zijn godspersoon, op een meesterlijke, Goddelijke manier.

Jezus neemt het hele gesprek, de hele situatie en alle initiatief hier in de hand, en met Zijn antwoord gaat Hij de gedachtenlijn van alle omstaanders, onverwacht en verrassend, in een richting sturen die Hij wil:

‘Strijdt om in te gaan door de enge poort.’

Maar eerst gaan we graag nog even verder naar die vraag kijken.

Het is een vraag die zich helemaal beweegt in de Bijbelse sfeer. En aan de juiste persoon gericht. Het is een vraag die ‘weegt’, die rekening houdt met de ernst van het leven en met de ernst van het ‘verloren gaan’.

Maar… is die vraag wel met de nodige ernst gesteld?

Jezus gaat met Zijn antwoord een onverwachte richting op. Die vraag… verbergt deze niet een heleboel andere problemen? Onmacht, nood, geestelijke tekortkomingen? Die vraag is slechts het topje van een ijsberg.

En Jezus heeft hier meteen de hele ijsberg aangepakt. Jezus legde de vinger op de zere plek.

‘Doorgrond mijn angst en ken mijn weg, o, Heer’, kent u dat lied? Jezus kent en doorgrondt mensenharten. Hij is ingegaan op wat àchter die vraag zat. En Hij heeft dat groepje, zeker de vraagsteller, even wakker geschud. Jezus wees op een gemis bij die groep:

Het gemis aan liefde voor het Levende Woord.

Het gemis aan totaalinzet en strijdbaarheid als gelovige.

Het gemis van besef van reddeloosheid en tekortkoming. Jezus is ingegaan op de mèns achter die vraag.

En dat gemis werd verrassend en onbedoeld, voor iedereen zichtbaar.

Het kan best dat een aantal mensen, omstaanders, met inbegrip van de vraagsteller, zich bij deze ongemakkelijk zijn gaan voelen. Waarom? Omdat die omstaanders zelf nog nooit ten diepste geraakt werden door het Woord van de levende God, en, jawel, ook door het bevrijdende karakter ervan.

Let wel: de vraagsteller kan best een verstandig iemand geweest zijn, iemand die best goede en zinnige dingen kan zeggen, ook als het gaat over de Rabbi van Nazareth…

Maar… hier heeft hij zichzelf laten verrassen.

Gemeente, ik denk dat het antwoord van Jezus voor iedereen bestemd is. Wij zijn allemaal ‘omstaanders’. En als wij opmerkzaam zijn, zien wij, dat in Jezus’ antwoord, het woord ‘strijdt’ in de gebiedende wijs-meervoud staat. Ik denk dat Jezus, met dat antwoord, ook mij, in mijn diepste ikzelfje doet kijken.

In plaats van aan strijd heb ik misschien bewust de strijd gemeden… en ben ik niet als christen naar voor gekomen… Ben ik misschien ban g geweest voor de gevolgen…

Jezus spreekt wel degelijk van een ‘enge’ poort, deze kan kneuzingen of verwondingen veroorzaken.

Over het reële van die strijd hebben wij het stukje uit de Hebreeën brief gelezen, waarin het volgende geschreven staat: ‘Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde’.

Beetje verregaand toch, dacht ik. Maar ’t is Gods Woord.

‘Strijdt om in te gaan door de enge poort’.

Het is een uitspraak die voor iedereen geldt.

Het begin van onze jaartelling, de dagen van Jezus Christus, maar ook de 21e eeuw. Alle leeftijden, achtergronden, karakters, culturen, kerkgroepen, milieus, …

Broeder en zuster, ieder van ons kent vanuit Gods Woord, wellicht heel goed, zijn eigen persoonlijke strijdterrein. Iedereen weet dat er in zijn eigen persoonlijk leven gebieden zijn die minder of niet vruchtbaar zijn. Brakke grond, waarvan de distels een gevaar zijn voor de nabij liggende goede grond. Iedereen weet at er in zijn leven dingen zijn waarvan je zegt: ‘dat klopt niet in mijn leven, dat klopt niet in mijn christen-zijn’.

En, gemeente, ik denk niet dat wij elkaar daarin veel kunnen voorschrijven. Wie ben ik? Hé, dat moeten wij ons tijdig eens voor ogen stellen. Het is voor mij heel gemakkelijk om tot iemand te zeggen: ‘gij drankzuchtige’, als ik daar zelf geen last van heb. Het is voor mij heel gemakkelijk om te zeggen:’ gij geldgierige’ of ‘gij rokkenjager’, of ‘gij tabaksgebruiker’, als ik daar zelf geen last van heb…

Wetende van ons eigen persoonlijk strijdterrein, en wetende dat wij, ook zonder het beseffen, daarin flink overhoop kunnen geraken, kunnen wij elkaar alleen maar bemoedigen en ondersteunen.

‘Strijdt om in te gaan door de enge poort’: gaat dat niet nauw samen met wat wij een paar hoofdstukken terug kunnen lezen; ‘En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.’

De uitspraak van Lukas 13, ‘strijdt om in te gaan door de enge poort’ wordt op een heel ernstige manier verdergezet: ‘Want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.’

Spreekt Jezus hier niet op een bedekte manier over ‘verloren gaan’? En ik ben ervan overtuigd dat niet één predikant of pastor daar graag over spreekt. Het klinkt als een bedekt en voorzichtig uitgesproken waarschuwing. En Jezus waarschuwt uit liefde.

‘Verloren gaan’, dat is:

-het missen van Gods aangezicht

-het totale ontbreken van Gods liefde

-daar waar God niets meer te zeggen heeft

-daar waar God de mens de rug heeft toegekeerd

Gemeente, tot hiertoe heb ik alleen nog maar over ‘strijden’ gesproken. En over de oplettendheid die daar mee gepaard gaat.

Inderdaad, voor een soldaat is daar het leergebied, het oefenterrein, de inzetbaarheid en mogelijks ook de ‘strijd’.

Maar voor hem is er ook de aangename thuis, de veilige grond, de gezelligheid, de familie die op hem wacht.

Het zou onjuist en onvolledig zijn als ik hier vandaag, naast alles wat ik tot hiertoe uitgesproken heb, niet ook ‘blijdschap’ zou verkondigen.

U kent wellicht die tekening of dat schilderijtje da tu in vele kerkgebouwen kunt aantreffen; het scheepje in de storm, mat als opschrift: ‘God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst’.

Inderdaad, als wij rondom ons kijken dan zien wij dat de tijd ernstiger wordt. De aanvechtingen worden onbegrijpelijker, het is ‘eindtijd’, de storm wordt zwaarder…

Het eerste, mijn broeder en zuster, dat onze blijdschap mag bepalen, dat is de zekerheid van de behouden aankomst van dat scheepje.

Met andere woorden: dat is de zekerheid van de voerwinning van Jezus Christus.

De heer heeft ons niet alleen gelaten. De wereld is een slangenkuil, maar Hij is de eerste die voor ons zorgt, en die ons verzorgt als wij falen. Als Jezus ons in de strijd zendt, dan is het niet zo dat Hij dat ons alleen laat afhandelen. Als Jezus ons in de strijd zendt, dan mogen wij weten dat Hij ons reeds in die strijd is voorgegaan, tot de kruisiging toe. Hij kent het klappen van de zweep bij de mensenkinderen, en vooral: Hij kent u. Hij doorzoekt ‘het hart en de nieren van de mens’. Ook bij deze geldt wat in Psalm 23 prachtig verwoord staat: ‘Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen want Gij zijt met mij, Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.’

U ziet, gemeente, Gods woord is een troostboek, en met die troost komt blijdschap.

Op onze levensweg krijgen wij (altijd) de nodige vuurbakens of lichtpunten. Ook al lijken deze bij momenten heel ver weg. Ook al worden die lichtpunten ons door de hoogte der golven aan het zicht onttrokken, maar wij weten: ze zijn er en geven ons zekerheid en vreugde.

Gemeente, ons aardse even is er één vol zwakheid en onvolmaaktheid, maar wij kunnen de overwinning nooit aan onszelf toeschrijven. Iedere gelovige zal (als hij zijn zwakheid beseft en Jezus wil volgen) aanvechting krijgen, betrokken worden in Zijn strijd, en in Zijn lijden, maar ook in Zijn overwinning.

Die overwinning: ‘Het is volbracht’.

Die overwinning is behaald en zij is onbetwist, onbeperkt een eeuwig geldend.

Weet, gemeente, dat ons strijden slechts tijdelijk is. Ons strijden neemt een einde. Ons strijden verbleekt als God zijn genadevolle arm over ons uitstrekt.

Draagt ook getuigenis in u. (u moet niet van deur tot deur gaan, als dat u niet gegeven is). Maar waar de goede strijd gestreden wordt, daar gaat ook goede uitstraling van uit, en dat is getuigenis.

En telkens opnieuw is daar die enkeling die zich vragen begint te stellen:

‘Wat hebben dezen dat wij niet hebben?’ ‘Vanwaar de nadere kijk op de dingen die zij hebben?’, ‘Vanwaar die dienstbaarheid, die verdraagzaamheid, die bemoedigende instelling?’

Daarbij helpe u God.

Amen.